Van 2015 tot juli 2020 schreef ik columns voor het Brabants Dagblad. Diverse van deze columns zijn terug te lezen op deze website.
Van 2015 tot juli 2020 schreef ik columns voor het Brabants Dagblad. Diverse van deze columns zijn terug te lezen op deze website.

Of ik gezellig mee de stad in ga. Zijn garderobe dient dringend aangevuld te worden, zegt onze 16-jarige lummel met die grotemensenstem waar hem. Ik moet er nog aan wennen.
Leuk zo’n uitstapje, al dank ik dat vooral aan mijn auto en zijn lege kledingrekening.
We kiezen voor Tilburg maar het had elk stad in Brabant of Europa kunnen worden. De grote winkelketens die hij selecteert schreeuwen ons met muziek en felgekleurde slogans naar binnen.
Een medewerkster, amper twee jaar ouder dan mijn zoon, komt ons tegemoet gedanst.
Onze vraag of zijn maat er is moeten we drie keer herhalen, want ze verstaat ons niet door de keiharde beat in deze schemerige winkel.
“Kijk de stapel maar na’ roept ze, ‘en als je het niet vindt geef je maar een gil.’ Vervolgens deint ze weer weg op het kaboem van de dj-mix.
Ach, ze hoeft zich in dit baantje niet te bewijzen. Ze is aan het einde van haar derde contractperiode en vliegt dus sowieso de laan uit, nog voor haar dienstverband wordt omgezet in een contract voor onbepaalde tijd. Die zekerheid heeft ze.
Weer thuis, de tassen vol en de knip leeg, denk ik terug aan hoe ik mijn moeder meenam naar de stad. Dienstbare, hondstrouwe medewerkers van vertrouwde familiebedrijven als V&D en C&A vonden voor ons wat we eigenlijk niet zochten, maar toch kochten.
Nu willen we vooral veel voor weinig. Half Tilburg loopt al warm voor de Primark. Klerehandel is het geworden, bestand tegen amper één seizoen. Onze kledingkasten puilen uit, maar zou het niet veel mooier zijn als personeel met vaste contracten het weer gaat winnen van de snelle kledingbazen met hun dumpmentaliteit?